Banner
voorwoord biografie register Duitse teksten downloads links

BD.8008
1 en 2 oktober 1961

Iedere geest is een oergeest, gevallen of niet

Op mijn stem moet u acht slaan als die in u weerklinkt, want mijn geest zal u in alle waarheid leiden. En wilt u in de waarheid onderricht worden, dan kunt u ze alleen van Mij zelf ontvangen, die de eeuwige Waarheid is.

Toen Ik de wezens van mijn liefde eertijds buiten Mij geplaatst had was ieder wezen een ik-bewuste geest die met Mij in innigste verbinding stond, en steeds door mijn liefde doorstraald werd. Dit doorstralen met liefde bracht het wezen in een staat van uiterst helder inzicht. Het stond in het licht, het had besef van Mij zelf en van alles wat er om hem heen was. Ieder wezen was een goddelijke geest die onmetelijk zalig was.

En toch vond - om redenen die u al vaak verklaard zijn - een afval van ontelbare wezens van Mij plaats, ofschoon er ook vele aan mijn zijde bleven. De eersten verloren hun licht terwijl de laatsten in een onmetelijke volheid van licht bleven bestaan en mijn tegenstander - de eerst afgevallen oergeest - niet in de diepte volgden. En met deze oergeesten die bij Mij verblijven, schep en werk Ik in de oneindigheid.

U, mensen weet echter ook dat Ik Mij een vergoddelijking van al het geschapen wezenlijke tot doel heb gesteld, en dat deze vergoddelijking door de vrije wil van het wezen zelf verwezenlijkt moet worden. U weet waarom de wezens eens gevallen zijn en u hebt ook kennis verkregen van mijn heilsplan van eeuwigheid, dat de terugkeer van al het gevallen geestelijke op het oog heeft en die ook zeker eens bereikt zal worden.

U weet dat het "kindschap Gods" het hoogste doel is en dat alle wezens die als mens over de aarde gaan volgens plan van eeuwigheid, ook dit kindschap Gods op deze aarde kunnen bereiken - als de vrije wil dit maar ernstig nastreeft. En dan heeft bijgevolg het eens van Mij afgevallen wezen de hoogste graad van zaligheid bereikt. Het is tot mijn "evenbeeld" geworden, het kan scheppen en werken uit geheel vrije wil en toch zal deze wil geheel aan de mijne gelijk zijn. Hij is niet meer door Mij bepaald, maar mijn kind is geheel in mijn wil opgegaan en is daarom ook onmetelijk zalig.

En deze verhoogde graad van zaligheid streven ook de bij Mij gebleven geestelijke wezens na, want hoewel zij met Mij rechtstreeks in verbinding staan, ofschoon zij ook steeds door mijn liefdekracht doorstraald worden, zijn ze toch wezens geschapen naar mijn wil - die niet anders denken en handelen kunnen dan naar mijn wil, die als het ware altijd alleen uitvoerders van mijn wil zijn. Het verschil hierover aan u, mensen duidelijk te maken vereist ook wel een hoge graad van rijpheid die u nog niet bezit. En daarom kan Ik het u alleen verklaren naar de mate van uw begrensd denken, zoals uw menselijk verstand het begrijpen kan. Want door uw val in de diepte had u nu eenmaal ieder diep inzicht over alle samenhangen in het geestelijke rijk verloren en bent nu op aarde nog niet tot het hoogste inzicht gekomen.

Toch is het voor u voldoende te weten dat ook deze Mij trouw gebleven wezens eenmaal de weg over de aarde gaan, om de titel "kind van God" te verwerven, die hun zaligheid nog mateloos verhoogt. En deze weg over de aarde vereist dan ook een leven in het vlees een bestaan als mens, evenals ook het gevallen geestelijke die weg moet afleggen om zijn wilsproef te doorstaan. Een lichtgeest die zich op aarde belichamen wil", zal als verblijf een aards lichaam kiezen waarvan de geestelijke substanties al een zekere rijpheid bereikt hebben, zodat een lichtgeest het nu in bezit kan nemen, terwijl hij de dode uiterlijke vorm - het menselijke lichaam - dan eerst het leven geeft en hij nu in dit lichaam zijn aardse weg begint.

Deze lichtgeest is bijgevolg de geestelijke kracht die moet instromen in een menselijk lichaam, dat nu als mens in de wereld geboren wordt en dat pas dan leven kan, als deze geestelijke kracht - de ziel, de goddelijke adem - in deze uiterlijke vorm wordt ingeblazen door mijn alomvattende vaderliefde, die zich het vergoddelijken van al Zijn geschapen wezens tot kinderen ten doel heeft gesteld.

En nu geeft deze hemelse geest - als ziel - de mens het leven. En omdat de substanties van het lichaam (al zijn ze zuiverder dan bij de meeste mensen) zelf nog niet uitgerijpt zijn, omdat zij in de wereld van mijn tegenstander ook aan zijn invloed onderhevig zijn en omdat de hemelse geest op aarde ook een geestelijke taak te vervullen heeft en meestal niets van zijn herkomst weet, moet dus de ziel, zijn eigen ik, tegen alle aanvechtingen die van buiten op hem afkomen, weerstand bieden. Zij moet tegen alle neigingen en driften strijden die het lichaam nog aankleven, omdat dit door alle scheppingswerken is heen gegaan. Deze geest die engel is moet meestal een uiterst zware weg op aarde afleggen waarin zijn vrije wil niet falen mag, waarin de mens altijd weer tot Mij als Zijn Vader zijn toevlucht moet nemen, om niet de kracht te verliezen die hij op de aarde nodig heeft. Want de volheid van licht en kracht als hemelse geest heeft hij vrijwillig opgegeven toen hij de weg over de aarde begon. Maar de band met Mij is zo sterk, omdat een ongewoon vurige liefde zo'n mens doorstroomt, die ook de zekerste waarborg is dat hij zijn doel bereikt, dat hij als "mijn kind" tot Mij terugkeert omdat dit zijn grootste verlangen is geweest tevoren in mijn rijk.

Deze ontwikkelingsgang zal bij iedere lichtgeest dus dezelfde zijn. Steeds betrekt hij als ziel een aards materiële uiterlijke vorm die meer of minder sterke invloed zal uitoefenen door haar uiteenlopende soorten geaardheid en die aan de ziel menige opgave zal stellen, want deze uiterlijke vorm zal ook altijd door de aardse materie zijn heengegaan, tenzij, dat buitengewone invloeden haar substanties al tevoren zo gelouterd hebben dat zij zeer snel met de eisen van mijn goddelijke geestvonk instemmen, die in het als mens belichaamde lichtwezen bijzonder sterk straalt en een algehele vergeestelijking van alle substantie sneller teweeg kan brengen.

En zo was de ziel van Jezus een hoogste lichtgeest. Ook Hij betrok een aards materiële uiterlijke vorm. Ook Hij gaf deze vorm pas het leven toen Hij als ziel die uiterlijke vorm in bezit nam, toen Hij op aarde geboren werd. Het vat (Maria) dat hem ter wereld bracht was zuiver en vlekkeloos. Zijn verwekking was geen minderwaardige daad van de zinnen. En toch was Zijn lichaam gelijk aan dat van alle andere mensen omdat Hij het werk van vergeestelijking volbrengen moest als voorbeeld, dat ook alle mensen moesten navolgen en ook kunnen. Ook zijn ziel, hoewel van boven, werd door onrijpe wezensdelen gekweld waarvan Hij zich niet mocht bevrijden, die Hij op grond van Zijn liefde eveneens moest vergeestelijken, wat een zware arbeid aan zichzelf vereiste en zo'n arbeid moet ook iedere hemelse geest in het aardse leven volbrengen. Want de weg door de diepte betekent een strijden en overwinnen van alles wat deel uitmaakt van de diepte en zich ook bij deze mensen uitleeft. Hun grote liefde verricht deze arbeid echter met volharding en geduld. Het gelukt hun meestal lichaam en ziel te vergeestelijken, dat wil zeggen: ook de nog onontwikkelde substanties die zich bij de ziel hebben gevoegd te verlossen, hen tot algehele orde in zichzelf te brengen en tegelijkertijd een hoge missie te volbrengen waarvoor zij zich Mij vrijwillig hebben aangeboden.

(2 oktober 1961) Al het van Mij eens uitgegane wezenlijke, alle geestelijke wezens, die uit mijn liefde zijn voortgekomen is uitgestraalde kracht. Zij zijn in hun oerbestanddeel het zelfde zoals Ik zelf, zij zijn liefdekracht uit Mij. Het gevallen geestelijke werd nu met het doel tot Mij terug te keren opgelost in ontelbare partikeltjes. De eens uitgestraalde kracht werd omgevormd tot scheppingen van menigvuldige aard, want die kracht moest op de een of andere wijze werkzaam worden omdat dit oerwet is sinds eeuwigheid. Maar al deze opgeloste partikels verzamelen zich weer en iedere eens gevallen oergeest ontvangt zijn zelfbewustzijn weer terug zodra hij als mens over de aarde gaat, zodra hij dit laatste gedeelte in het eindeloos lange ontwikkelingsproces aflegt, voordat hij weer binnengaat in het geestelijke rijk.

Het op die manier samengebrachte geestelijke brengt als ziel de uiterlijke vorm van een mens tot leven. De ziel zelf is dus de eens gevallen oergeest, ze is het ik-bewuste wezen dat eens in volheid van licht van Mij uitging en in vrije wil afgevallen is en dat mijn tegenstander - de eerst gevallen lichtgeest met zich in de diepte trok. De geweldige menigte oergeschapen geesten was eindeloos en ook het getal van de wezens die Mij trouw bleven was onmetelijk groot. Maar ook dezen waren in diepste grond dezelfde uit Mij uitgestraalde liefdekracht.

Gaat dus nu een lichtgeest - een engel - ook de weg over de aarde met het doel het kindschap Gods te verkrijgen, dan komt hij in dezelfde omstandigheden als iedere gevallen geest. Hij betrekt een lichamelijk omhulsel dat uit meer of minder uitgerijpte geestelijke partikeltjes bestaat, want het vlees behoort tot deze aarde. Het lichaam kan wel zuiverder zijn en minder weerstand tegen Mij in zich hebben, maar toch is het stoffelijk. En dat laat ook de weg over de aarde tot een zware beproeving en tot een wilstest voor de in het lichaam wonende ziel worden. Want weerstanden moeten er zijn, een lichtziel moet ook strijd te doorstaan hebben in het vlees. Een gevecht dat zij steeds weer met mijn tegenstander zal leveren die zich van het lichaam bedient, om de ziel op iedere mogelijke wijze aan te vallen.

En ook een lichtziel zal daarom aan sterke verzoekingen blootgesteld zijn, want het aardse lichaam bevindt zich in het gebied van mijn tegenstander en deze zal zeker een lichtziel buitengewoon in het nauw brengen om ook haar ten val te brengen, wat hem eertijds niet gelukt is. Maar de buitengewone liefdewil van zo'n ziel garandeert haar ook steeds de toevoer van kracht van boven, want zij geeft de verbinding met Mij niet op. Zij wordt geweldig naar Mij toegetrokken en dit vurige verlangen van haar liefde is een sterk wapen in de strijd met de tegenstander, waaruit zij ook als overwinnaar tevoorschijn zal komen.

U mag echter niet geloven dat een lichtgeest, een niet gevallen geest, zich bij een andere geest die gevallen is aansluit, om de weg over de aarde te gaan. Iedere ziel is een oergeest, gevallen of niet. De gevallen oergeest legt opgelost in ontelbare substanties de ontwikkelingsgang af voordat hij zich als mens mag belichamen, voordat hij dus als "ziel" een menselijke uiterlijke vorm betrekt. De niet gevallen geest hoeft niet opgelost te worden maar betrekt als ziel van boven een menselijk omhulsel, zoals ook die lichtwezens die een hoge lichtgraad in het rijk hierna bereikt hebben en nu ter wille van een missie opnieuw de weg over de aarde willen afleggen, met het doel het kindschap Gods te bereiken.

Zulke zielen belichamen zich dus direct in het vlees, de eens door Mij uitgestraalde kracht stroomt als "levensadem" in het menselijk lichaam binnen en geeft deze uiterlijke vorm het leven. U, mensen bedenk toch steeds dat al het eens geschapenen door Mij uitgestraalde liefdekracht is, die door mijn wil tot ik-bewuste wezens werd, die nooit meer vergaan kunnen. Maar Ik kan deze kracht ook omvormen. Ik kan deze wezens oplossen en andere scheppingen laten ontstaan als Ik daarmee een doel voor ogen heb - voortkomend uit mijn liefde en wijsheid.

Ik kan echter ook zo'n ik-bewust wezen met een menselijk omhulsel bekleden, wanneer door mijn liefde en wijsheid een goed resultaat wordt verwacht. En iedere ziel, die moet worden aangezien als het eigenlijke leven van een mens, is een oergeest, die door mijn eindeloze liefde de mogelijkheid krijgt op aarde het kindschap Gods te bereiken, waar ieder door Mij geschapen wezen zelf naar moet streven en dit zelf moet verwerven.

Amen