Banner
voorwoord biografie register Duitse teksten downloads links

BD.4613
13 april 1949

Het zwakke zal het einde niet meemaken

Het zwakke zal het einde niet meemaken. Ik weet heel goed, hoe de ziel van ieder afzonderlijk geaard is, welke wil ze in zich heeft en welke graad van rijpheid ze bezit, die ook de maatstaf is voor de sterkte van wil in de laatste geloofsstrijd. Ik weet dat dit laatste belijden van Mij grote kracht vereist, die maar weinig mensen opbrengen en dat er een heel levend geloof toe behoort, stand te houden en Mij trouw te blijven. En daarom zullen deze trouwe aanhangers en belijders de poorten van het paradijs op de nieuwe aarde worden ontsloten, opdat hun liefde voor Mij, die ze Mij tot het einde toe bewijzen, beloond wordt.

Mensen die zwak van geloof zijn, houden in deze laatste strijd op de aarde geen stand en het gevaar om van Mij af te vallen, wend Ik af om hen niet in de handen van mijn tegenstander te laten vallen en hun nog de gelegenheid te geven in het rijk hierna hun ontwikkeling voort te zetten, wat na het einde van deze aarde voor lange tijd niet meer mogelijk is. Ze zullen tegen de eisen en inspanningen van de laatste tijd niet opgewassen zijn en zuiver lichamelijk al hun levensweg beëindigen voor de tijd, want ze zijn niet van Mij afgewend, alleen ontbreekt hun het diepe levende geloof, dat hen in staat stelt een waar strijder voor Christus te zijn. En hiervan zullen er vele zijn, die wel voor Mij kiezen, dus het geloof in een God van liefde en wijsheid in zich hebben, maar dit niet tot zo'n sterkte aanzetten dat ze zich onbezorgd aan Mij toevertrouwen en vragen om mijn bijstand. Deze zielen neem Ik van de aarde, daar ze anders verloren zouden gaan voor eeuwige tijden.

Maar het sterke blijft Mij trouw tot aan het einde en zal door Mij worden weggenomen vóór de vernietiging van de oude aarde. Dit gebeuren zal u duidelijk moeten zijn en het moet u eveneens begrijpelijk zijn, dat voornoemde zwakke zielen het paradijs van de nieuwe aarde niet bevolken; dat dit paradijs alleen geestelijk rijpe mensen kan dragen, die mijn aanwezigheid onder zich toelaten, zoals Ik het u heb toegezegd.

Op het laatst moet er een scheiding zijn van de bokken en de schapen. De oude ontwikkelingsperiode eindigt met het kluisteren in de vaste materie van het geestelijke dat gefaald heeft en er begint een nieuw tijdperk met een rijp mensengeslacht, dat zich al op aarde in een staat van gelukzaligheid bevindt, omdat het standhield en door Mij op aarde voldoende beproefd werd. Deze zielenrijpheid laat mijn aanwezigheid onder mijn kinderen toe. Maar zwakke nog niet geheel rijpe zielen zouden mijn aanwezigheid niet kunnen verdragen en dus is de nieuwe aarde geen verblijfplaats voor hen, maar die nochtans in het geestelijke rijk opwaarts gaan en wegens hun vroegtijdig beëindigd leven ook in het geestelijke rijk voorrechten hebben die hen helpen opwaarts te gaan. Dit is de scheiding van de geesten die steeds verkondigd werd door woord en geschrift.

Amen