Banner
voorwoord biografie register Duitse teksten downloads links

BD.4519
21 december 1948

God is niet in dode materie

Begrijp toch dat Ik Mij niet nauw begrensd kan ophouden in een speciaal daarvoor bestemde beker, in aardse materie, op bepaalde plaatsen en vastgestelde tijden. Integendeel, Ik ben overal waar een hart zich heeft gevormd tot liefde. Alleen een liefderijk hart kan er zich op beroemen Mij in zich te hebben en door mijn tegenwoordigheid verblijd te zijn, want mijn oersubstantie is liefde en dus kan Ik ook alleen vertoeven waar liefde zich uit. Nooit echter kan een vergankelijke beker drager van mijn eeuwige Geest zijn. Deze mening is alleen maar een gedachteproduct van geestelijk blinde mensen, die zich een totaal verkeerd beeld vormen van mijn Wezen, dat wel de gehele oneindigheid vult en dus overal tegenwoordig is, maar Dat zich nooit ophoudt in een begrensde kelk - zoals het de mensen geleerd wordt. Wat maakte de mensheid uit Mij, de eeuwige Godheid? Van welke geestelijke armoede getuigt zo'n geloof en hoever worden de mensen niet van de waarheid afgehouden door leraren, die zelf verkeerd onderricht zijn?

Hoe kan een Geest door wie de oneindigheid beheerst wordt in een materiële vorm verblijven? Een vorm, die zoals de geestelijke ontwaakte mens weet het geestelijke in zich bergt, dat nog op een zeer lage trap van ontwikkeling staat. Wanneer Ik echter voor het hart van een mens een onderscheid maak met mijn tegenwoordigheid, dan stel Ik Mij in verbinding met het in het laatste stadium van ontwikkeling staande geestelijke. Ik vul in zekere zin de ziel met de kracht van mijn liefde, de uitstroming van Mij zelf. En naar de mate van bereidheid lief te hebben, wordt de toevloed van kracht vergroot en vult bijgevolg het gehele hart. Dus ben Ik zelf nu ook in die mens aanwezig, Ik neem bezit van hem zoals hij echter ook Mij in alle overvloed in zich draagt. Wat zou Mij kunnen bewegen mezelf in een nog dood voorwerp, dat op zich nog iets Mij weerspannig geestelijks is op te houden?

Mijn tegenwoordigheid zou iedere vorm doen wegsmelten als zij door de kracht van mijn liefde zou worden doorstroomd, en ieder weldenkend mens zal de dwaasheid van dit denkbeeld inzien - en zulke dwaalleren verwerpen. De mensen hebben meestal domme opvattingen en ze laten zich niet onderrichten, maar houden vast aan dat wat van hen gevraagd wordt te geloven. En ze bewijzen zo een enorme verering aan een dood voorwerp, waaraan zij zelf een betekenis hebben toegeschreven - dat dit Mij moet voorstellen, het hoogste en vererenswaardigste Wezen. Alleen een zuiver mensenhart dat in staat is lief te hebben is de tempel waarin Ik Mij ophoud, en daarom is het niet nodig Mij te zoeken op bepaalde plaatsen - op vastgestelde tijden - of in bepaalde vormen. Maar ieder mens moet zich gereed maken om als opnamevat te dienen waarin Ik verblijven wil. Ieder mens moet van zijn hart een hart vol van liefde maken, dan zal Ik als de eeuwige Liefde bij hem mijn intrek nemen. Hij zal Mij dan overal en te allen tijde kunnen aanbidden en vereren en Ik zal dan altijd bij hem zijn, want mijn geest zal zich met de zijne verenigen - omdat Ik zelf in hem ben.

Amen