Banner
voorwoord biografie register Duitse teksten downloads links

BD.8091
30 januari 1962

De menswording in Jezus

Wat tot verlichting van uw geest bijdraagt, dat wil Ik u waarlijk bezorgen. Want u mensen heeft licht nodig en u die Mij zult willen dienen, u zult als lichtdrager de mensen moeten voorgaan, hun de weg verlichten die naar Mij voert en naar het eeuwige leven. En Ik weet waarover de mensen opheldering behoeven. Ik weet waar hun denken nog onjuist is. En zo weet Ik ook dat ze een licht nodig hebben, omdat elke verkeerde gedachte alleen aanleiding geeft tot verwarring, tot geestelijke duisternis. En steeds weer zal Ik een licht laten stralen in de duisternis en u daarmee ook de juiste weg aanwijzen die u zult moeten gaan gedurende uw leven op aarde. En daar u op aarde de weg zult moeten nemen naar het kruis, daar u Jezus als Gods Zoon en Verlosser zult moeten herkennen en erkennen wanneer u het lichtrijk zult willen binnengaan, zult u ook naar waarheid over mijn menswording in Jezus moeten worden onderricht, daar u anders Mij zelf niet in Jezus zult kunnen erkennen.

En juist dit probleem van de menswording is voor u moeilijk op te lossen, want u zult het u niet kunnen voorstellen dat Ik, de grootste en volmaaktste Geest van de oneindigheid, Mij in een mens heb gemanifesteerd. U zult het u niet kunnen voorstellen dat Ik anders niet verpersoonlijkt kon worden dan in Jezus, Wiens uiterlijke omhulling de goddelijke Schepper in zich droeg, Die wel mens was volgens Zijn uiterlijke omhulling, maar door mijn goddelijke Liefdesgeest totaal doorstroomd. Zijn hele wezen was en bleef dus God, om voor u, mijn schepselen, zichtbaar te zijn.

U zult u de eeuwige Godheid nooit als een belichaamd wezen mogen voorstellen dat dus begrensd zou zijn. Ik vervulde de gehele oneindigheid, want deze oneindigheid wordt doorstraald met mijn kracht die onbegrensd werkzaam is. Ik zelf ben de Oorsprong van deze krachtuitstraling en dus ook nooit als een begrensd wezen voor te stellen. Maar Ik kon een vorm geheel doordringen, hem doorstralen, zodat Hij niets anders was dan mijn oorspronkelijke substantie, dat hij hetzelfde was als Ik zelf, alleen in een voor u mensen voor te stellen vorm.

En deze vorm was de mens Jezus, die Mij tot omhulling werd omdat mijn schepselen iets ruimtelijk begrensds wilden aanschouwen en omdat ook het verlossingswerk zich zichtbaar voor u moest afspelen en dit ook een voor de mensen zichtbaar gebeuren vereiste, dat hen van zonde en dood moest bevrijden wanneer ze in Hem geloofden, wanneer ze geloofden in mijn menswording in Jezus, in het werk van liefde en erbarmen, dat ter wille van de zondige mensheid door een mens werd volbracht die Mij zelf in alle volheid in zich droeg.

Anders dan in Jezus ben Ik voor u niet voor te stellen. In Jezus werd God, de grootste Geest van de oneindigheid, Mens. En Jezus zelf was God, want zelfs Zijn menselijke buitenkant vergeestelijkte zich en werd door mijn Liefdesgeest volledig doorstraald. Jezus was alleen zolang mens, tot Hij zich door Zijn leven in liefde vergeestelijkt had. Maar de uiterlijke vorm moest alle lijden en smarten verdragen en tenslotte de bitterste dood aan het kruis, omdat de mens Jezus voor Zijn medemensen verzoening wilde schenken voor de grote zondeschuld. En pas met de kruisdood was het verlossingswerk volbracht, dat dus Ik zelf als de eeuwige Liefde, in Jezus volbracht heb en Ik zelf daarom in Jezus moet worden erkend.

U allen, als mijn eens uitgestraalde wezens, bent in uw oorspronkelijke substantie liefde, zo ook Jezus, Die bij Mij bleef toen u zich vrijwillig van Mij losmaakte. Ook Hij was een uitstraling van Mij, dus mijn Zoon. En deze zond Ik naar de aarde om u mensen te verlossen, om voor u de weg van de terugkeer weer vrij te maken. En Zijn grote liefde hield ook als mens de verbinding met Mij in stand. Hij verlangde altijd alleen maar mijn liefde en Ik ontzegde haar Hem niet.

En zo kon Ik Hem geheel en al vervullen. Ik kon Hem doorstralen en helemaal bezit van Hem nemen. En daar Zijn uiterlijke vorm mens was, werd Ik dus "mens" en Jezus werd "God". Er bestond geen scheiding meer tussen ons. Hij was geheel met Mij versmolten, Hij was Een met Mij. En mijn schepselen kunnen nu in Jezus Mij zelf aanschouwen van aangezicht tot aangezicht, wanneer ze als "verlost" binnengaan in het rijk van het licht, waar ze eeuwig gelukzalig zijn.

Amen