BD.5114
25 april 1951
Mijn schapen herkennen mijn stem
Ik kwam tot de mijnen maar zij hebben Mij niet aangenomen,
want zij hebben Mij niet herkend. Heel zelden herkennen de mensen Mij
wanneer Ik hun pad kruis, en daarom nemen zij mijn gaven ook niet aan
als goddelijk geschenk of kennen er de juiste waarde niet aan toe. Ik
wil echter door de mensen herkend worden, opdat zij ook mijn genadegaven
op de juiste wijze benutten en aanwenden tot behoud van hun ziel. Hoe
vaak klop Ik tevergeefs aan en de "deur" van het mensen hart
blijft gesloten voor Hem, die hun het beste brengt en hun een geschenk
wil aanbieden van onschatbare waarde. Maar zij verlenen Mij geen toegang
en willen Mij niet horen, en zo wijzen zij het Kostbaarste af ofschoon
zij het dringend nodig hebben. Ik kwam tot de mijnen maar zij namen Mij
niet op, want zij herkenden Mij niet!
Velen willen tot de mijnen behoren. Zij menen tot mijn "kerk"
te behoren en herkennen toch mijn stem niet als Ik hen verzamelen wil
zoals een goede Herder, als Ik hen lok en roep. Zij herkennen mijn stem
niet en blijven daarom zo ver van Mij af. Maar mijn schapen herkennen mijn stem als de stem van hun Herder, omdat het woorden van liefde zijn
die Ik vanuit den hoge spreek tot hen die hun hart openstellen, en Mij
binnen laten komen wanneer Ik dat verlang.
Slechts weinigen herkennen Mij ofschoon allen hiertoe in staat zouden
zijn, als zij maar bereid zouden zijn hun Vader van eeuwigheid te zoeken
- want door hen zou Ik Mij zeker laten vinden. Hun verlangen naar Mij
is echter te gering en daarom herkennen zij ook mijn stem niet, het bewijs
van mijzelf, een zichtbaar teken van mijn liefde voor de mensen.
En wanneer medemensen mijn woord tot hen willen brengen dan ontbreekt
het hun aan geloof en inzicht voor mijn liefde en genade die hun een hulpmiddel
schenkt opdat zij op aarde al hun doel bereiken kunnen, zich te verenigen
met Mij door de liefde.
Hoe bevattelijk is dit echter voor de mijnen die Mij tot zich spreken
laten en hetgeen zij van Mij ontvangen, ook overeenkomstig mijn wil in
praktijk brengen. Tot hen kan Ik komen en aan hen kan Ik Mij openbaren,
want zij zullen niet meer aan Mij twijfelen. Zij nemen Mij op in hun "hartewoning"
en zijn in staat daarin ook mijn woord te vernemen.
Zij zullen mijn woord in hun hart ernstig overwegen en dienovereenkomstig
ook naar mijn wil handelen.
Zij zullen ook de woorden die Ik eens op aarde sprak begrijpen, dat mijn
rijk niet van deze wereld is, maar innerlijk bestaat in de harten van mijn kinderen. En mijn "kinderen" zien Mij ook als hun Vader
die tot de zijnen komen wil, maar door de mensen niet gekend wordt omdat
zij Zonder liefde leven.
Maar, wie overeenkomstig mijn woorden handelt in onzelfzuchtige naastenliefde,
zal daardoor ook tot inzicht komen omdat in hem mijn liefde aanwezig is,
en hij zal met vreugde en blijdschap mijn roep volgen - omdat hij Mij zelf herkend heeft.
Amen |