Banner
voorwoord biografie register Duitse teksten downloads links

BD.4175
25 november 1947

De knaap Jezus, God en mens

Vraag om opheldering en ze zal u worden gegeven. Op wie de geest Gods neerdaalt, die is ook in staat waarheidsgetrouw antwoord te geven op vragen die hem worden gesteld in geestelijk opzicht. Het mysterie van de menswording van God is een zo moeilijk probleem voor de mensen op aarde, dat ze nooit volkomen kunnen worden onderricht, tenzij ze van de geest Gods zelf de uitleg in ontvangst nemen, zodat de uitleg door de ontvanger van geestelijke boodschappen wel kan worden begrepen, maar de medemensen niet begrijpelijk kan worden toegezonden.

De mens Jezus werd weliswaar op wonderbaarlijke wijze geboren en Zijn geboorte was begeleid door bovenaardse verschijnselen van allerlei aard, maar toch was en bleef het lichaam voorlopig aards materieel. De ziel was afkomstig uit het lichtrijk en was bijgevolg zonder zonde ter wereld gekomen. En derhalve kon God zich zelf door deze ziel openbaren. Hij kon werkzaam zijn, omdat er niets aanwezig was wat Zijn werkzaam zijn als hindernis in de weg zou hebben gestaan.

Dus was er in het kind Jezus God en mens tegelijk. Al wat voor het menselijk oog zichtbaar was, was mens. Maar Die het Kind het leven gaf, Die de mensen aantrok en hen tot aanbidding bracht door Zijn nabijheid, was God. De eeuwige Godheid zelf openbaarde zich en werd ook herkend door diegenen die van goede wil waren, wier harten in staat en gewillig waren om lief te hebben en die zich daarom openden voor de geest van God om in hen werkzaam te zijn.

Ten tijde van de geboorte van Jezus kwamen alleen mensen in Zijn nabijheid die door de geest Gods erheen werden geleid, die dus God zelf waardig keurde het Kind te zien, wie Hij door het Kind naderbij kwam en in wie Hij ook het bewustzijn wekte in de nabijheid Gods te zijn. Maar iemand anders dan zulke mensen zou het Kind alleen zuiver menselijk zijn voorgekomen, niet anders dan andere kinderen, zoals het ook volgens Zijn aardse lichaam was.

En zo zagen de mensen Hem ook in Zijn jeugd en latere jaren, want Hij trad niet openlijk met Zijn goddelijkheid op de voorgrond, met Zijn van Gods geest vervulde wezen, hoewel Hij zich steeds meer met God verenigde door Zijn voorbeeldig leven in liefde dat ook Zijn lichaam vergeestelijkte en tot een opnamevat van de goddelijke geest maakte. Maar het was de mens Jezus die zich zelf door werkzaam te zijn in liefde moest vormen tot een waardig omhulsel van Gods geest opdat deze zich in alle volheid in Hem kon bergen en door Hem onbeperkt werkzaam kon zijn. Wat uit Hem sprak, wonderen verrichtte en zelf de dood gebood, was God zelf. Wat voor de mensen zichtbaar was, was mens.

Het geloof aan de goddelijke zending van de mens Jezus deed ook de mensen God in Hem herkennen, zowel als kind alsook in Zijn leerjaren, waar eveneens weer diegenen Hem herkenden die dezelfde geest hadden, die dus een leven leidden volgens de goddelijke wil en zich daarom ook voor Zijn goddelijk wezen openden. Voor hen was het zonder twijfel dat God zelf zich in Hem borg en door Hem werkzaam was. Maar de menselijke buitenkant liet ook in die eerstgenoemden soms twijfel bovenkomen. Want ook zij konden het mysterie van de menswording Gods, van de volledige aaneensluiting van God en mens, niet vatten - zoals het ook nooit helemaal kan worden uitgelegd aan de mensen die niet geestelijk gewekt zijn. Dezen zouden het wel met hun ziel kunnen begrijpen, maar het kan nooit zuiver verstandelijk zo worden voorgesteld, zoals het voor een volledig begrip nodig zou zijn. Maar nooit ofte nimmer kan en mag het kind Jezus de Godheid worden ontzegd, want Dit was de hoogste genade waardig, dat God zelf zich in Hem borg, dat Hij zich openbaarde aan diegenen die Hem liefhadden en naar Zijn wil leefden.

Amen