BD.3230
23 en 24 augustus 1944
Dienen of strijden - Het verschillende doel van het lijden
In het stadium van wilsvrijheid hoefde het schepsel de tegenstander
van God niet te vrezen als hij maar in de liefde zou willen gaan. Dan
heeft het hem overwonnen, omdat de tegenstander van God geheel machteloos
is tegen de liefde. Dus zou de mens zich ook vrij kunnen maken van verzoekingen
en verleidingen, want deze hebben geen invloed op hem, zodra hij werkzaam
is in de liefde. Maar dit laatste is afhankelijk van de vrije wil van
de mens en daarom is de mens zelf de beweegreden van zijn bestaan op aarde,
dat of voortdurende strijd is of dienende liefde. God ziet in het hart
van ieder en Hij laad over de mens dat komen wat hij nodig heeft, zoals
Hij echter ook hem gebrek laad lijden die Zijn hulp, Zijn troost en Zijn
bemoedigende woorden niet nodig heeft, omdat hij innerlijk tegen Hem is,
dus geen liefde beoefend, die blijk geeft van zijn naar God gekeerde wil.
Liefde en God zijn één en bijgevolg is een liefdevol mens
ook met God verbonden en moet de tegenstander Gods de baas zijn. Is de
mens gewillig werkzaam te zijn in dienende naastenliefde, dan zal hij
niet zo in het nauw worden gebracht door de verzoekingen van de wereld,
hij heeft deze in zekere zin al overwonnen, wat echter niet uitsluit dat
hij leed moet dragen, omdat leed niet alleen de mensen tot God moet brengen
wier wil nog van God is afgekeerd, maar omdat het ook de mensen die er
naar streven bij God te zijn, moet louteren. Maar het leed wordt in deze
twee stadia verschillend ervaren.
De eerste verzet zich daar nog tegen, omdat hij zich nog niet wil buigen
onder een Macht, die hem beperkt in de genietingen van het leven. Hij
zoekt de wereld nog en voelt elk leed als een benadeling, als een gebrek
om van het leven te genieten, en dus als een dwang die hij niet wil erkennen.
En er kan zeer veel leed voor nodig zijn voor hij zich heeft overgegeven,
en zo'n strijd is het werk van de vijand, die nog steeds de mensen tracht
te winnen met de wereld en haar vreugden, die hem dit alles voor ogen
houdt om zijn begeerten ernaar te versterken en hem dus van God af te
brengen. Is echter de mens werkzaam in de liefde, dan dient het leed hem
alleen nog tot voltooiing, tot het rijp worden van zijn ziel, dan heeft
de tegenstander van God weinig macht over hem, dan wendt hij zich af van
de wereld en door het leed sluit hij zich steeds dichter bij God aan.
Dit onderscheid moet worden onderkend wanneer het verschil van het lijden
wordt overwogen, wanneer goede en slechte mensen daardoor worden getroffen,
mensen die nog totaal van God zijn afgekeerd en degenen die het leed schijnbaar
niet meer nodig hebben om Hem te vinden. Steeds heeft het leed een ander
doel, maar het eigenlijke doel is de volledige vereniging met God. Het
grootste gevaar voor de mens is de hang naar de wereld en zijn (eigen)
liefdeloosheid, want dan is hij nog helemaal in de macht van degene die
hem te gronde wil richten. En dan heeft hij strenge opvoedingsmiddelen
nodig om te veranderen. Pas wanneer de hang naar de wereld afneemt, kan
de liefde in hem ontbranden en dan pas kan het leed andere vormen aannemen,
maar hem niet helemaal bespaard blijven zolang de ziel niet volledig van
haar afvalstoffen is ontdaan.
Daarom is het beoefenen van de naastenliefde doorslaggevend voor de graad
van zijn ontwikkeling, het is doorslaggevend voor de diepte van het leed,
want waar de liefde beoefend is, dus waar God zelf is, daar zal ook het
leed makkelijker te dragen zijn, omdat de mens de uitstraling van kracht
van God kan ontvangen en hem derhalve niets terneerdrukt. Hij hoeft niet
meer te strijden, veeleer alleen maar te dulden en te wachten op de hulp
van God, die elk leed van hem afneemt als de tijd ervoor daar is.
Dienen of strijden, moet de mens en wel beantwoordend aan zijn wil en
het in staat zijn van hem, om lief te hebben. Het dienen zal hem licht
vallen, het strijden echter grote kracht eisen wil hij het niet moeten
afleggen tegen de macht die alles aanwendt om zijn ziel in de duisternis
te trekken en die zolang invloed heeft op de mens, zolang hij zonder liefde
voortgaat, omdat hij dan ook nog ver van God is verwijderd. Pas de liefde
maakt hem vrij van deze macht, pas de liefde maakt hem sterk, want de
liefdevolle mens is verbonden met God en betrekt van Hem zijn kracht om
de tegenstander van God te overwinnen.
Amen |